Hapering

Femke Bauwens

Ik zoek al tijden naar een woord. Een woord dat ik kan zeggen tegen jou. Voor wat jou overkwam en wat jou nooit meer overkomt. Ik zoek overal. Tussen de kieren van de dooddoeners. Tussen de spleetjes van de –wat-ergs- en de ik-leef-met-je mee’ s’. Achter de gesloten deuren van de grote en meeslepende zinnen. In de hoekjes en tussen de regels van wat al werd gezegd en geschreven. Maar ze laten zich niet zien. En eerlijk gezegd begin ik me af te vragen of dergelijke zinnen wel bestaan. Misschien wordt er alleen maar gefluisterd dat die woorden er moeten zijn, dat het toch niet anders kan, dat dat toch nodig is om je te wapenen tegen dat verpletterende gemis, dat anderen die woorden wel al in hun bezit hadden.  Maar die ze misschien terug verbergen in een kluis voor bange dagen. Ik heb grof geschut gebruikt om zo’n woord te vinden.  Gegraven en geploegd, hoopvol ploeterend naar slechts één betekenisvolle punt of komma. Gevochten met witregels, gezegdes en haperende stiltes. Gestampt op brullende uitroeptekens, gefronst na elke zin die ik uitsprak, mijn handen tot vuisten gemaakt na elke regel die ik in de juiste klank wou uitzenden. Geen enkele letter was het waard om uitgesproken te worden voor jou: en dan nog; wie was ik eigenlijk om iets over jou te zeggen? Wie was ik om iets te zeggen over de vele gedaantes van verdriet, over wat zo zeer doet aan het woordje pijn, over vrachtwagens te groot te zwaar te roekeloos? En zie mij hier woorden uitbraken. De ene na de ander en nog geen nanoseconde nadat ik ze opschrijf vervagen ze tot een slechte foto waarvan alle betekenis is overbelicht. Ik ga stoppen met zoeken. Mijn grof geschut- berg is op en mijn verzamelde schaarse zinnige zinnen zet ik in de koelkast. Op een ochtend spreek ik met jou af en ik zie de woorden als vanzelf op mij afgestormd. Ze zitten in mijn mond, mijn huid, mijn haar: de ene zin nog onzinniger dan de ander, vol misplaatste komma’s en grijnzende grappen, stil in zichzelf gedoken vragen en waardeloze anekdotes. Maar ik zie je even lachen. Heel even, terwijl zijn naam tussen ons in hangt, tussen onze koppen thee op tafel en de flarden van het onvermogen. Ik zeg zijn naam nog eens en jij ook en dan ben ik niet meer bang dat de clou wordt gemist want bij iets wat je keihard neerslaat, bestaat nu eenmaal geen clou of moraal. En dus veeg ik al mijn vlokken gesprekstof van tafel en haal er slechts één stoffig woordje uit, een woordje dat ik vasthoud en bewaar tot het moment dat ik vertrek. We staan beide op, ik glimlach, bloos en haper even. ‘Dag’ zegt zij. Ik haal diep adem en laat mijn woord dan los.
‘Tot ziens’ zeg ik.

Het zweeft de kamer uit, naar buiten, waar jij je even omdraait.
En knikt.

Opgedragen aan M. die haar zoontje van 6 verloor bij een verkeersongeval