Gouden takken

Lise Surmont

 

Het was 17 januari 2018.

 

Ik zei: “Ik wil geen zomer dit jaar.”

Geef mij een wit landschap, vrieskou, een dubbele huid en een te wijde trui met een grote kap waarin ik twee keer kan verdwijnen. Geef mij de smaak van bloed na het likken aan een veel te koud ijsje – en handen die zo blauw zijn dat ze vergeten

hoe zacht jij voelde.

 

Ik zei – “Ik wil géén zomer dit jaar.”

En nooit eerder werd de zomer zo heet dat de bomen herfstbladeren wierpen in augustus. De wind begon te klinken als een brandhaard die zich verwoed verspreidde

van boom tot boom,

van dorp tot dorp

en hoe luider ik schreeuwde dat ik geen zomer wou,

hoe zwarter de aarde onder mijn blote voeten, hoe gevaarlijk de droogte en

de lucht zwol op.

Ik adem in een heteluchtballon. Ik stik.

 

Ik wil geen zomer, nu niet. Ik ben niet klaar om te bloeien: mijn vruchten zitten vast onder jouw huid en ik heb geen idee waar je bent nu.

De stammen barsten, de groenen worden rood en bruin, en

ze verschrompelen als jouw lippen.

De zomer is voor blije mensen.

 

Boven mij vallen vogels als alarmsignalen uit de lucht en

ik denk ze nog te kunnen redden. Ik heb zoveel tranen dat ik je vraag:

mag ik delen?

Mag ik je delen in mijn verdriet?

Volg je mij?

Bij het kraken van mijn vingers in elke poging om vooruit te komen.

Bij de gedachte aan je huidplooien

en de gedachte aan je huidplooien,

de gedachte aan jouw huidplooien!

 

Nooit eerder werd de zomer zo heet.