Dominiek

Mark Coenen

(beeld: Koen Fillet)

 

Dag Dominiek,

Je bent nu dertig jaar dood.

Dertig jaar waarin veel gebeurd is: met de wereld, met ons, met ons vader en ons moeder.

Ik ga er van uit dat je daar niets van weet:  als er al een hiernamaals is, waar ik sterk aan twijfel, dan is er daar zeker geen wifi.  Laat staan televisie. En maar goed ook, daar is toch niets meer op te zien.

Bijna elf jaar na jouw langste fietstocht aller tijden –na 30 jaar ben je nog altijd niet terug- stierf ons moeder.

Deze winter ons vader.

Hun geluk bleek op 5 juni 1988 op.

Er was een leven met en een leven zonder dochter.

Daarna kwam er nog veel en zelfs veel goeds, maar het werd nooit zoals voorheen.

Ik herinner mij die dag nog goed: kwakkelende lentedag, beetje regen.

Doodgewone zondag die eindigde in een zondag vol dood.

Doodgaan is al erg, maar dood gaan door het zelf te willen en het dan nog te doen ook is veel erger.

Al dertig jaar breek ik er mijn hoofd over.

Wat als.

Wat als die zondag Dirk thuis was geweest.

Wat als ons vader niet aan zee had gezeten op zoek naar een vakantie-adres.

Wat als ons moeder je zou tegengehouden hebben.

Wat als je tegen je vriendje Peter of andere vrienden zou gezegd hebben dat ze dood wilde.

Je zat niet goed in je vel, vader en moeder maakten zich zorgen.

Je was op gesprek geweest bij de psychiater die bij ons in de straat woonde en je nam antidepressiva.

Uit klinisch onderzoek bleek later dat sommige antidepressiva, zeker die met het bestanddeel paroxetine, ernstig depressieve jongeren net aanzetten tot zelfmoord of een poging daartoe.

Was het dat wat je naar de spoorlijn dreef?

Je verhaal eindigde in Kapellen. Gestorven “in de aanhorigheden van de  treinsporen” , vlakbij blokpost 11, staat er in het proces-verbaal van de politie.

Dat heb ik teruggevonden in de papieren van ons vader, die zoals je weet, alles bijhield.

Je bent de meest aanwezige afwezige in mijn leven.

Bij jouw  dood sloegen de planeten op drift en begon er een nieuw tijdperk.

Geen tijdperk van liefde en schoonheid, maar van gemis en verdriet.

Hoe je het probleem dat je met jezelf had en met het leven probeerde op te lossen door te verdwijnen en hoe je het net daardoor onherstelbaar groot maakte.

Er was nog zoveel te leven en te leren en lief te hebben.

Er waren zoveel mensen die je graag zagen.

Hoeveel je gemist werd en wordt en hoeveel je miste door je veel te vroege dood.

Al dertig jaar spook je door mijn hoofd.

Al dertig jaar moet ik geen cadeau meer kopen voor jouw verjaardag.

Dat geld heb ik geïnvesteerd in een boek over jouw leven.

Foto’s en herinneringen en verhalen.

Daarvoor schreef ik al jouw vrienden en vriendinnen aan, die snel en met warmte reageerden.

Elle, Inge, Ingrid, Annik, Peter, Geert, Kristien.

Ze beschreven je beter dan ik ooit zou kunnen.

Ze kenden je veel beter dan ik.

We zagen elkaar in het voorjaar in een café in Brasschaat.

Avond vol verhalen en emoties.

Vol weemoed.

Maar weemoed is een vorm van moed.

Bij het buitengaan speelde de dj Dancing on the ceiling van Lionel Ritchie.

“Oh , What a feeling, when we’re dancing on the ceiling”.

Toeval bestaat niet: dat was julie liedje op de reis van de laatstejaars humaniora naar Berlijn.

Waar je bij was.

Iedereen verrast.

Even leek het alsof je er opnieuw bij was.

Alsof je die dertig jaar niet had moeten spoken.

Alsof je nog leefde.

Maar je bent al dertig jaar dood.

Silly girl.