Dolfijnenvlees

voor Emma Verschueren (21 juni 1936 – 17 mei 2012)

Ik lag vannacht wakker omdat ik ben vergeten hoe je stem klinkt. Ik wilde je iets vertellen en me dan inbeelden wat je zou antwoorden. Maar ik hoorde je stem niet meer. Ik zocht je telefoonnummer op in mijn gsm. Het staat er nog in. Ik belde je. Ik hoopte dat de telefoon zou overgaan en dat ik je voicemail zou horen. Ik ken hem uit mijn hoofd. De woorden, de stilte, het hoestje. Alleen je stem ben ik vergeten. Er klonk meteen een hoge pieptoon. Een vrouwelijke computer vertelde me in het Frans dat het nummer dat ik had gedraaid niet meer bestaat.

Ik wil met je praten. Ik wil alles nog eens herhalen, zinsconstructies omgooien en synoniemen zoeken tot je me begrijpt. Ik kom op bezoek en jij presenteert me zandkoekjes in een blikken doos met een foto van de koninklijke familie op. Je stuurt ze steevast verjaardagskaartjes. Ik bedank je minzaam en zeg ‘dat dat allemaal niet hoeft’. Ik verzwijg dat ik niet hou van de nasmaak van de koekjes. En dat mijn buik eigenlijk al vol genoeg zit met frietjes, een curryworst en drie grote bollen ijs met discodips. Ik proef er dan toch maar eentje. Je dringt nog wat aan, maar eet de rest gewoon zelf op.

Weet je nog dat ik jaloers was op je mooie, smalle, lange nagels? Ik had er zelf amper. Heb er zelf amper. Ik bijt ze stuk. Je zit in je relaxfauteuil en ik op je schoot. Ik speel met je handen, verstrengel onze vingers, kraak onze vingerkootjes. Je pinken staan krom in een hoek van negentig graden. Ik vraag hoe dat komt. ‘Reuma’, zeg je. Nog nooit van gehoord.

Ik weet nog hoe je me noemde. En dat je altijd hetzelfde kapsel had. Een gigantische knot en duizend speldjes. En altijd een rol toiletpapier in je handtas. Voor het geval je weer eens op je blouse morste. Rose of lila of muntgroen of beige. Lichte kleuren, want je bent geboren op de eerste dag van de zomer. Clipoorbellen. Parels. Veel te veel make-up. Fond de teint opgehoopt in dikke bruine strepen in je nek. Soms zelfs bijna oranje. Wanneer ik het lichtbruine poeder op mijn wangen niet goed heb uitgesmeerd, zegt mijn mama nog steeds dat ik op jou lijk.

In curryworsten zit dolfijnenvlees. Tv-kijken tijdens het eten bevordert de spijsvertering. Sint-Antonius vindt verloren voorwerpen. De heilige Rita regelt hopeloze zaken. In Lourdes branden kaarsen voor geluk tot in den treure. Frietjes smaken het best in combinatie met een rauw, geklutst ei. Je bakte boterhamworst alsof het spek was. Je maakte groentesoep met reuzenfrikadellen in de plaats van subtiele soepballetjes.

Je hebt een album van Laura Lynn opgezet en wil meeklappen in de maat van de muziek. Je hebt zelf niet door dat je dat niet kan. Aritmisch van nature. Ik kruip weer op je schoot en klap in je handen. Op de zware tellen, in de plaats van ergens ertussenin.

Weet je nog dat je gezicht grijs was toen je doodging? En je lippen donkerblauw. En dat er één traantje parelde in je rechterooghoek. Het ontsnapte stiekem en sijpelde heel langzaam via je slaap tot in je haren. Los, voor de gelegenheid. Het liet een glinsterend lijntje na, als van een slak op een voetpad in de zomer.

Ik moet je iets vertellen.

Ik was een jaar of zeven en ik was al bij je van heel vroeg in de ochtend. Het was nog donker buiten. Je had je lange, flanellen nachtjapon nog aan omdat je me pas later verwachtte. Je ging je eerst omkleden in de badkamer. Je deed de deur dicht want ik mocht niet kijken. Ik gluurde stiekem door het sleutelgat en zag je grote, witte, blote borsten. Ik stopte met kijken en voelde me schuldig om wat ik had gezien. Ik heb het je nooit verteld. Nooit iemand, eigenlijk.

Maar nu weet je het.

Ik hoor je stem weer. Ik ruik gebakken boterhamworst. Ik proef dolfijnenvlees.
Ik hou je hand vast, tot jij loslaat.

 

| Anke Verschueren