Ik fiets naar het kerkhof.
Dit kan vreemd klinken maar ik heb grote verwachtingen.
Het is warm. De zon schijnt voor het eerst echt en om half zes zit iedereen nog aan de BBQ of op de uitloop van een picknick.
Ik gooi mijn fiets in de rode steentjes en wandel weg.
Mijn tred hapert terwijl ik net voorbij de verrekijker ben waar je vijftig cent in moet steken.
Om een beter zicht te hebben?
Het is een rode verrekijker. De steentjes ook. Mijn fiets ook. Het wringt in mijn hoofd dat hij daar ongesloten op de grond ligt, maar ik weet dat ik het zo zal laten.
Voor vijftig cent zie je links een looppiste en rechts veel doden.

Ik hou ervan om mijn fiets weer op te rapen voor ik naar huis terugkeer.
Als een verse draad. Voor een vers leven.
Is dat wel eerlijk.
Dat ze daar vijftig cent voor vragen.
Ik wandel verder.
Ik zweet.
Ik haat dit plakken waar ik toch nooit bruiner van word.
Deze weg zou ik blind kunnen afleggen.
Maar ik mag dit niet met gesloten ogen doen. Gesloten ogen zijn vuile ballerina’s met een gouden strik. Gesloten ogen zijn een kaki kleedje, omdat ik niet zo iemand wou zijn die zwart draagt op een begrafenis. Gesloten ogen zijn motregen en een stoet van trieste mensen. Met een grote, zwarte kar op wielen tussen hen in. Alsof ze toneel speelden. Gerepeteerd op ritme en uitstraling.
Het leek zijn hele leven te duren.
Gesloten ogen zijn motregen en kaki jurken en naar de grond blijven kijken want niemand die mee wandelde zou hem morgen al weer zo hard nodig hebben als ik.

Ik staak mijn tocht naar het gouden plaatje met de naam van mijn papa op. Ik zie de heuvel al. Op de heuvel zit een koppel. Op de achterkant van die heuvel hangt het plaatje.
Zij zit in kleermaker te genieten van het weer terwijl ze een blikje drinkt. Hij ligt languit op het gras met zijn hoofd rustend op zijn rugzak. Als een pauze in een pretpark tussen twee attracties door.
Ik word kwaad.
Mijn ogen schieten vol boze tranen. Ik kan alleen maar bitter denken. Dat dit de ideale plaats is om het leven te vieren, blijkbaar. Zo’n dingen. Ik ga op een bankje zitten waar ik hen kan zien vertrekken want dat zouden ze nu toch doen. Nu ik hier ben. Ik voel het gouden plaatje al op mijn drie middelste vingers rusten.

Een tweede koppel passeert terwijl mijn billen nu zeker al een afdruk op het donkere hout achterlaten. Ze hebben allebei wandelschoenen aan en er is een hond mee. Ik haat de wereld.
Ik haat hoe de lente met papa’s laatste maanden scherp over mijn geheugen krast. In mei wandel ik de hele dag tegen de stroom in. Maar dit is een kerkhof. Mijn kerkhof. Ik heb grote verwachtingen. Hier kan de zon schijnen op verdriet. Ik voel de zwarte letters in het metaal al.

Nijdig zet ik mijn koptelefoon op. Ik schrijf.
Ik schrijf deze tekst.
Een derde, oudere koppel, kruist het bankje.
Ik hoor hun afkeuring.
Ik hoor hen snuiven.
NIET DE PLAATS OM MUZIEK TE KOMEN LUISTEREN.
NIET DE PLAATS OM TE HANGEN.
Ik slik alles in.
Mijn grote verwachtingen.
Ik wil dat de oude vrouw en man mij graag zien, dat ze bij mij komen zitten en mij troosten.

Het koppeltje van het pretpark is aan hun terugweg begonnen.
Het zijn twee volwassen mannen. De man met het blikje heeft rode plekken op zijn wangen. Rode plekken om een vader. Een broer. Rode plekken. Rode stenen. Straks zien zij mijn rode fiets slordig op de grond
gegooid.
Ik ken hun verhaal niet.
Ik haast mij naar het plekje van mijn papa. Ik durf niet naar mijn zweet op het hout omkijken. De weg lijkt zoveel korter. Het zou zijn leven niet kunnen vullen. Nog niet eens de helft ervan. Het oudere koppel staat er ook. De man kuist met een lichtblauwe zakdoek twee plaatjes schoon.

Ik wil hen uitleggen dat ik ook twee plaatjes heb.
Dat mijn zus hier niet ligt.
Dat ik eigenlijk gewoon alleen met mijn papa wou zijn.
Het slaat allemaal nergens op.
Ik loop weer weg. De voldoening bij het oprapen van mijn fiets zorgt voor een vieze nasmaak.
Hoe oneerlijk is het dat op een kerkhof zo veel gedeeld moet worden en er nergens minder is dan daar.

Ik voel een rood steentje in mijn jaszak. Thuis gooi ik het in een glazen bokaal zodat ik kan zien hoe vaak ik al geweest ben.

 

| Siel Verhanneman