FILIP

– Jonas Vanweerst, Gent

Charismatisch, surrealistisch en tragisch, dat was Filip in drie woorden.
En knap. Toen hij tweeëntwintig was, ranselden drie gangsters hem af. Na die dag was hij niet meer knap. Voor de rest van zijn leven stond zijn neus schots en scheef.
Eigenlijk maakte het niet uit, lang zou hij toch niet meer leven.

Filips ouders waren zelfstandigen in de sekssector. Vader pooier, moeder en zus hoer.
Vader tien jaar in de bak, moeder minder lang. Filip: voornamelijk jeugdinstellingen.
In zijn gloriedagen was vader pooier van een aantal dames, waaronder Filips moeder. Een combinatie die regelmatig voorkwam in het milieu.
Moeder dronk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.
Bier.

Alhoewel Filip een volbloed charmeur was, had hij zijn kruis vroeg meegekregen. Die zware last plaveide blijkbaar makkelijk de weg om zijn korte leven heel snel te verboemelen.
De zus van Filip was bloedmooi en helaas oerdom. Een neveneffect van die simpliciteit was dat ze op verkeerde mannen viel. Toen ze zestien was, viel ze om die reden op Marc.
Marc was tien jaar ouder en stamde uit een rijke pooiersfamilie.
Die had bars en seksclubs, waaronder een paar gelegen aan enkele beruchte Vlaamse steenwegen.
De hoerenbuurt was Filips thuis. Hij kreeg zakgeld van de cafébazen, frieten van de frituuruitbaters en bijna altijd kussen van de hoertjes.

Filip had een reputatie in knokken. Hij kon dat namelijk goed.
Oppermeester in het aanvoelen van een broeierige situatie, in veel gevallen door hem uitgelokt. In een bepaald milieu bereikten hoogoplopende discussies een zeker keerpunt.
Men kon afdruipen met het nodige gevloek.
Of je knokte.
Een protagonist timmerde dan op een of ander smoel.
Filip had dit keerpunt verwoed bestudeerd en geanalyseerd, bijna op het wetenschappelijke af. Daarbij ontdekte hij een wetmatigheid en vrij vertaald kwam die neer op: “Wie eerst slaat, wint.” Door die wetmatigheid consequent toe te passen, kreeg hij reeds op jonge leeftijd de naam een notoir straatvechter te zijn.

Filip had ook een hond. Een pitbull, dat sprak voor zich.
Macchio.
Op zijn Italiaans geschreven, met een “i” voor de “o” en met dubbele “c”. Daar stond hij op. Sprak je die naam anders uit, dan lapte hij je een pittige discussie over schrijfwijzen aan je laars.
Macchio was even befaamd als zijn baas. De hond had het namelijk niet voor katten. Een stuk of vijf had hij er te pakken gehad. Geen enkele overleefde de scherpe tanden van de vechthond.
De twee waren onafscheidelijk. Zelfs wanneer Filip naar de cinema ging, nam hij Macchio mee. Dan zat de hond drie uur in de auto.

Filip dealde drugs.
Het minpunt van die job waren lastige klanten.
Zeurderig cliënteel liet hij doen. Meewarig keek hij over hen heen en speurde de omgeving af. Wanneer hij Macchio opmerkte, riep hij de hond bij zich.
Macchio wist perfect wat hij moest doen. Net zoals de klanten, die wisten het dertig seconden later ook.
Alhoewel Filip Macchio zijn ding nooit lang liet doen – dat was te gevaarlijk – was het voldoende om van het gezaag af te zijn.

Een andere eigenschap was Filips voorliefde voor de roes.
Heroïne maakt een mens gelukkig, dat staat vast.
Een paar uren toch.

De wandelingen in en uit de gevangenis begonnen op zijn twintigste. Veroordeling voor drugsverkoop. Eentje voor bezit.
Slagen en verwondingen. Diefstal. Wapenbezit. Het gebruikelijke parcours.
Verslavingen werden heviger, familieruzies laaiden op, vrienden lieten hem in de steek en zijn veroordelingen, die werden enkel langer.

Toen hij 24 was, stierf Filip.
Zelfmoord of een overdosis, we zullen het nooit weten.
Alleszins stierf hij in de cel.
De familie besliste unaniem om hem niet te begraven. Een crematie leek geschikter.

Om negen uur ’s morgens zat de aula afgeladen vol. Voornamelijk zatte mensen.
Blikjes bier in de hand en verborgen in een jaszak: de obligate nummer twee en drie.
Waggelende mannen, monkelende vrouwen, doffe ogen.
Filips zus zag er allerminst gebroken uit.
Voor haar was zijn dood een aangekondigde kroniek.

Op haar schoot hield ze een pakje vast. Dat viel op. Tijdens de ceremonie hield ze de doos keurig bij zich. Ze fluisterde, keek naar Marc en samen keken ze naar het pakje. Daarop knikten ze beiden instemmend.
Na de ceremonie bewoog de zatte karavaan zich naar de strooiweide voort.
Tijdens die korte reis werden blikjes bier opengemaakt, opgeslurpt en weggegooid.
Filip was weg.
Uitgestrooid op een stukje gras waar zoveel andere mensen waren uitgestort.
Enkele getrouwen en familie bleven achter.

Geconcentreerd begon Filips zus het pakje open te maken.
Er was iets met dat pakje.
Moeizaam maakte ze de knopen van het touw los.
Een metalen koker kwam tevoorschijn.
Ze schroefde het ding open en hield de koker ondersteboven. Ze begon ermee te schudden.
Uit de koker viel dik stof dat neerplofte op het gras.
As.
Haastig strooide ze de substantie uit.
Zonder haar ouders op te wachten stapte ze richting parking.

Een nieuwsgierige vriend holde haar achterna.
In tegenstelling tot haar moeder achtte de zus Filips vrienden niet verantwoordelijk voor zijn dood. Ze had een veel beter zicht op zijn verslaving gehad en vond dat enkel Filip schuld had aan zijn problemen.
“Wat zat er in die koker?”
“Macchio”, zei ze droog.
“Ik begrijp het niet.”
“Macchio”, zei ze nogmaals kalm.
“Macchio, zijn hond?” stamelde de vriend niet begrijpend.
“Ja.”
“Wanneer is Macchio gestorven? En hoe?”
De vriend had lang voordien gebroken met Filip. De meeste vriendschappen waren voor miserie ingeruild.
“Tja, hij is dood, sinds een dag of vier. We hebben hem laten inslapen. En laten cremeren.”
“Was hij ziek?”
“Neen. Filip verkondigde elke dag dat hij het liefst van al dood wou zijn. Dat hij zichzelf haatte. Dat zijn hond de enige vriend was die hij had.”
“Was dat zo?”
“Dat weet ik niet. Ik weet enkel dat hij zei dat hij met Macchio wou doodgaan. Dat predikte hij bijna elke dag. Hij was mijn broer. Wat kon ik doen?”
“Niet veel.”
“Voilà.”

Inslapen, cremeren en in het graf.
Zoals de baas het wilde.