souvenir

– Marieke Genard, Borgerhout
voor Caroline Van Mechelen-Genard (25/12/1916 – 24/07/2008)

Oostende, juli 1950

Het lijkt alsof ze naar het water staart, maar wie haar blik kan vangen, zou zien dat die naar binnen is gekeerd. Met opgetrokken schouders en gebogen rug zit de vrouw aan de kade. Loom heft ze haar hoofd en kijkt een ogenblik naar de nieuwe vuurtoren aan de overkant. Daar, waar verderop in de duinen, haar herinneringen zich afspelen.

Ze richt zich op en strekt haar armen. Even heeft het de schijn dat ze wil duiken en de havengeul over zwemmen. Toch niet. Ze buigt weer en steunt met beide handen op de boordsteen. Een krijsende meeuw scheert rakelings langs. Sputterend vaart een oude vissersboot de haven binnen. De golf in het kielzog bereikt even later klotsend de kaai, barst uiteen en spat haar voetzolen nat. Het is hoogtij en windstil. De lucht is monotoon grijs en het is broeierig heet.

Zo’n momenten voor zichzelf zijn schaars. Het hoort ook niet, een jonge vrouw alleen op weg. Maar voor één keer heeft ze geen last van nieuwsgierige en afkeurende blikken. Niets van de zomerse drukte achter zich dringt tot haar door. Dit moment is voor haar alleen en de rest van de wereld kan haar vandaag niet raken.

Ze had bedenktijd gevraagd. Ze is er niet de vrouw naar om lichtzinnig een beslissing te nemen. Zeker niet om een tweede huwelijk aan te gaan. Het aanzoek van de heer S. was nuchter en weinig poëtisch verwoord. Bijna een zakelijke aangelegenheid. Wat een contrast met haar eerste liefde, de vader van haar kinderen! Dit voelt vooral als een praktische regeling. Waar ze nu voor kan kiezen.

De vrouw tuurt naar het zacht golvend zeewater in de vaargeul. Voorzichtig opent ze de deur waarachter haar mooie herinneringen jarenlang verborgen zaten. Bang als ze is, om haar hart opnieuw te voelen breken. Ze ervaart hoe de bitterzoete melancholie door haar hele lichaam stroomt. Maar een traan zal ze niet laten. Ze is jaren hiervoor al uitgehuild. Elke avond weer, in alle stilte in bed als niemand haar kon zien. Sindsdien geen druppel meer.

oma alleen

Het is twaalf jaar geleden, tijdens die uitstap hier aan zee dat ze helemaal voor hem gevallen was. De charmante stadsjongen had haar, als Kempense boerendochter, verbaasd en geboeid met zijn kennis over de natuur. Wandelend door de duinen achter het fort wees hij haar elk plantje aan. Zo proefde ze de eigenwijs zurige duindoornbessen rijk aan vitamines. Ze verkende de zilte smaak van zeepostelein. Bestudeerde verwonderd de rood-zwarte Sint Jacobsvlinder die hij voor haar ving maar daarna weer liefdevol de vrijheid gaf.

 

 

In haar hand houdt ze een witte getande schelp, die ze onlangs terug ontdekte in een kleurrijk doosje. De beelden borrelen weer op: de onvergetelijke terugweg, blootsvoets door het zeewater bij valavond. Met haar linkerhand hield ze haar schoenen en de rand van haar rok omhoog, in haar rechterhand voelde ze zijn warme vingers. Ze hadden gelachen toen het zeewater zijn broekspijpen had bespat. Ze hadden gerend om de laatste trein te halen. Ze hadden moe maar voldaan de restjes van hun picknick op weg naar Antwerpen verorberd. Die avond bij hun afscheid had hij haar galant de schelp geschonken.

Ze spoelt de tijd vier jaar vooruit. Ze voelt zijn klamme hand, hoort de bassende zeehondenhoest en ziet zijn hele lijf snokken, ruikt de geur van verbrande tijm. Antibiotica waren voor gewone mensen in oorlogstijd onmogelijk te verkrijgen. Grootmoeders middeltjes bleken onvoldoende om een longontsteking te helen. Amper zesentwintig jaar en ze was weduwe. Haar zoon is vaderloos geboren.

Met haar wijsvinger wrijft ze over de scherpe kartels van de witte schelp, aan de binnenkant glanst het paarlemoer. Ze twijfelt of ze het aandenken hier naar de bodem wil laten zinken en zo begraven. Dan draait ze zich traag om en grijpt afwezig in haar strandtas naar een zomerse japon. Ze recht haar rug, staat op en drapeert een zwart-wit gestreepte wikkeljurk over haar zwempak heen.

Er is geen spoor meer van de breekbare dromerige baadster. Een fiere, elegante dame loopt kaarsrecht het staketsel op en mengt zich tussen de vakantiegangers. Ze heeft amper oog voor de mensen rondom haar. Tot er een vrolijk huppelend meisje tegen haar op botst. De grootmoeder verontschuldigt zich beleefd. Er klinkt gejoel bij een groepje stoere tieners terwijl ze passeert. Als een deftige heer elegant voor haar een buiging maakt, beantwoordt ze die met een strenge blik. Ze laat zich niet storen in haar overpeinzingen.

Het aanzoek van de heer S. accepteren zou haar absoluut comfort en prestige bieden. Een doktersvrouw wordt vast beter gerespecteerd dan een alleenstaande moeder. Maar het lesgeven opgeven? Haar plezier, haar eigen inkomen, haar redding bij het plotse overlijden van haar man, haar toekomst?

Ze bereikt het uiterste punt van het staketsel. Zelfs hier is het windstil en drukkend heet. Maar een rilling loopt over haar rug als ze aan haar eigen ervaring met haar stiefmoeder denkt. Ze wil haar kinderen dat lot besparen.  

Terwijl ze naar het silhouet van de kustlijn kijkt, stoort ze zich aan de strakke hoge nieuwbouw. Het contrast is immens met de frivole torentjes, pieken en koepels die ze toen samen vanop deze plek hadden bewonderd. De oorlog heeft niet enkel in haar leven diepe wonden geslagen. Ook de stad is voor altijd haar vooroorlogse charme kwijt. 

Met vaste tred loopt ze nu richting promenade, naar de bouwwerf van het nieuwe casino Kursaal. Ze laat het verleden aan de overzijde van de geul achter zich, houdt haar ogen gericht op de toekomst. Zoals deze stad die aan de kustlijn, door de haastige bouw van nieuwe hedendaagse blokken, de recente verwoestingen zo snel mogelijk wil vergeten. 

Als ze die avond de trein terug naar Antwerpen neemt, staat haar besluit vast. Ze wil vooruit, bouwen aan een toekomst voor zichzelf en haar kinderen. Maar een nieuw huwelijk heeft ze hiervoor niet nodig. In de moderne woonst van haar dromen komt er een bijzonder plekje voor de bleke schelp die ze bij zich draagt.