Lorette

– Thomas Jacques
voor Lorette Desmet (1932 – 2010)

Er hangt een dichte mist boven de graven. Een stuk gras zal opnieuw plaatsmaken voor een steen. Mensen komen, mensen gaan. Hier gaan ze liever. De overledenen blijven achter, tot ook hier geen plaats meer is voor hen.
“Weer aan het roken, Lorette?”
“Slecht geslapen, Lucien?”
Het antwoord weet ik al. Slapen doet hij al lang niet meer. Iedere ochtend zit hij te wachten op die klokken. Iedere stap volgt hij angstvallig. Iedere dag dezelfde vragen. Zal zij het zijn? Zal ze thuiskomen? Ik probeer hem wat tot rust te brengen. Het heeft weinig zin. Hij moet weten waar de kist zal stoppen. Ik kan hem nu al zeggen dat het niet voor vandaag zal zijn. Mocht het Georgette zijn, hadden ze allang voorbereidingen getroffen. De hoop neem ik hem niet af.
“21 jaar.”
“Ik heb langer moeten wachten op mijn eerste kus.”
Hij reageert niet. Waarschijnlijk op zijn tenen getrapt. Soms moet je mensen nu eenmaal een beetje uitdagen. Durven stoutmoedig zijn. Het heeft geen zin om altijd in melancholie te dralen.
De pastoor komt het pad opgewandeld. Een aantal mensen volgt hem schoorvoetend. Het grint kraakt onder hun voeten. Ze houden halt aan de toegangspoort. De begrafenisondernemer geeft nog enkele instructies. Zo weet iedereen waaraan zich te verwachten. Voorspelbaarheid maakt mensen rustig. Al mogen ze toch wat met hun tijd meegroeien. Die pitteleers zijn ondertussen al jaren uit de mode.
Zou Jules ook al die jaren liggen wachten hebben? Zou hij ook iedere dag met ingehouden adem geluisterd hebben naar het grint? Nog steeds durf ik het hem niet te vragen. Je stelt geen vragen waarvan je het antwoord niet wil weten. Er is geen ruimte voor. Hier wordt over het leven gepraat. Over de kleinkinderen. Eten ze nog altijd dame-blanche? Spelen ze nog voetbal in de tuin? Het ijs werd doorheen de jaren ingeruild voor chips. Het voetbal voor kaarten. Limonade voor bier. Kinderverhalen voor advies. Het gaf me altijd een warm gevoel wanneer ze mij om raad vroegen. “Meme je bent toch zo modern”. Ik hoor het Julie nog zeggen. Ze gaven me zoveel. Dankzij hun ogen, hun verhalen heb ik de wereld gezien, wilde avonturen beleefd.
“Ze komen onze richting uit.”
“We zullen zien.” Wat zeg je na al die jaren? Mijn antwoorden raken uitgeput. Misschien hoef ik ook helemaal niets te zeggen. We zoeken altijd naar woorden. Maar vaak is een blik of een gebaar veelzeggender. Mocht het kunnen, ik gaf hem een dreuppel, ouwe klare jenever. Bij ons thuis stond de deur voor iedereen open. Mensen kwamen hun hart luchten, hun leed verzachten met een frisse pint of met een goede jenever bij ernstigere kwalen. De magen gevuld met witloof en stoofvlees.
Ze stoppen niet aan onze rij. Ze wandelen door. Een vrouw snuit haar neus. De pastoor stopt enkele rijen verder en wacht tot iedereen in een halve cirkel rond de kist staat. De bezoekers nemen elkaar vast. Luisteren naar wat de pastoor te zeggen heeft. Een herhaling van hun eigen woorden.
“Altijd diezelfde tekst”. Lucien lijkt weer de oude te worden. Op alles en iedereen commentaar. Vooral de pastoor moet het vaak bekopen. Wie kan het die man kwalijk nemen steeds naar dezelfde teksten terug te grijpen? Je kan de dood niet telkens opnieuw uitvinden. De mensen werpen rozenblaadjes op de kist, een laatste groet aan hun dierbare. Ze denken aan die ene herinnering. De pastoor zegent de kist en start met bidden.
“Onze vader, die in de hemelen zijn, geheiligd zij uw naam.”