De alleskunner

– Mattijs Deraedt
voor Julien Joseph Rommens (31/08/1904 – 1/04/1999)

Ik vraag me af wat er door je heen ging de eerste keer dat we elkaar zagen. Jij was toen bijna negentig jaar oud, ik waarschijnlijk enkele weken. Prees je jezelf gelukkig omdat er alweer een achterkleinkind in je handen lag? Ik ben alleszins heel dankbaar dat ik je heb mogen kennen. Ik weet nog hoe ik als vijfjarige bij jou op schoot zat en hoe je me die reusachtige chocoladepaashaas gaf die je zelf had gemaakt. En dat was niet alles, je hele huis stond vol met spullen die je zelf ineengestoken had.
Zo’n alleskunner als jij zal ik nooit worden, bompa. Je was tegelijk een knutselaar, een kok, een timmerman, een muzikant, een kleermaker en een geweldig familieman. Nu nog vertelt mijn moeder met blinkende ogen hoe je bomma kon doen lachen, ook toen ze steeds zieker werd. Of hoe mooi het vestje was dat je voor haar gemaakt hebt toen ze nog een kleuter was. Rood met zwarte stippen, weet je nog? Zoals een lieveheersbeestje, of ‘hemelbeestje’, zoals je haar noemde. Dat vestje is ze ondertussen ontgroeid, maar met Kerstmis halen we nog steeds jouw kerststal van zolder. Ik voel nog steeds die kinderlijke verwondering wanneer ik Jezus in zijn stenen kribbe leg en merk hoe goed hij daarin past, hoe stevig het dak boven zijn hoofd is, hoe liefdevol zijn ouders over hem waken. Ik mag dan niet gelovig zijn bompa, maar bij zo’n tafereel voel ik het wel: dit klopt.

We rijden momenteel door een tunnel op weg naar Firenze. Gisteren bezochten we Bologna, bekend om zijn torens en schaduwrijke galerijen. Ik weet niet of jij je er iets kunt bij voorstellen. Want voor zover ik weet ben je nooit buiten jouw provincie geweest. Zelfs de Noordzee heb je maar een keer gezien. Je was toen al oud en ze reden je het strand op in een rolstoel. Je keek naar het schuim van de golven en liet je blik glijden over het wateroppervlak, tot aan de horizon waar de zee op sommige dagen lijkt over te lopen in de lucht. En met de nuchterheid van een West-Vlaming zei je toen: ‘Amai, dat is een grote plas water.’

Je mag dan wel nooit ver van je huis in Mesen geweest zijn, je hebt wel een bewogen leven gehad. Als kind gaven de ouders van een vriend je de kans om naar een uitstekende school te gaan. Een buitenkans voor een intelligente jongen als jij. Je studeerde er enkele jaren klassieke talen en na je opleiding sprak je ook voortreffelijk Duits. Dat kwam je later goed van pas, want in 1940 sprak je met een wel heel bijzondere Duitse officier. Je was aan het werk op het veld samen met je broer Charles toen er een wagen stopte. Er stapte een man uit met een streng gezicht en een opvallende snor. Hij kwam naar je toe en vroeg je de weg naar ‘Bethlehem’. Jij begreep dat hij doelde op de Bethlehemhoeve en wees die aan. Pas toen de man en de wagen weer verdwenen waren, besefte je dat je gesproken had met Adolf Hitler.
Dat is toch wat je dochter, mijn oma, me jaren geleden vertelde. En eerlijk gezegd kon ik dat moeilijk geloven. Tot ik onlangs op een artikel in het tijdschrift Eos stootte, waarin het zwart op wit beschreven staat. Hitler bracht die dag samen met Max Amann en Ernst Schmidt een bezoek aan de hoeve waar hij als koerier in de winter van ’14-’15 had verbleven. Het is hallucinant, bompa, om te beseffen dat jij oog in oog hebt gestaan met een van de grootste oorlogsmisdadigers die ooit op deze aardbol heeft rondgelopen.

Tijdens die donkere jaren lag je met een geweer in je aardappelveld om je gezin te beschermen. Ik geloof dat er enkel wat losse flodders in je wapen zaten, want je wist dat een beeld sterker was dan wat dan ook. Je kon dan ook een stevig potje acteren wanneer het moest. Toen je opgetrommeld werd voor de legerdienst deed je tijdens de medische controle of je een of andere fysieke afwijking had. En ja hoor, de dokter trapte erin. Ik weet niet of het mij zou gelukt zijn, bompa, maar ik had sowieso hetzelfde geprobeerd. De list in plaats van het geweld.

Ik wil me nog graag voor iets verontschuldigen, bompa. Ik ben ooit zo vrij geweest om op jouw instrument te spelen: de blokfluit die nog steeds voor jouw foto in de woonkamer van je dochter ligt. In mijn verbeelding mag ik toen misschien een herder geweest zijn die zijn kudde kunstig door de vallei leidde, in werkelijkheid was mijn gepiep niet om aan te horen. Maar best dus dat jij het niet gehoord hebt, het was al erg genoeg dat oma in de buurt was. Ze trok me dan ook terecht – mijn eerste schaap was nog maar amper voorbij het hek – uit mijn dagdroom. Ik heb daarna nooit meer uit vrije wil blokfluit gespeeld. Men moest het me verplichten, zoals in de lessen muzikale opvoeding, waarbij de lerares me eens zei, haar benen gespreid onder haar tafeltje: ‘Maar jongen toch, ge zijt uw blokfluit aan het verkrachten.’ Ik begrijp nog steeds niet hoe je een warme klank uit zo’n ding haalt. Ik had het jou graag eens horen doen. Wie weet had ik je dan kunnen begeleiden op gitaar, want daar krijg ik wel iets uit dat op muziek lijkt.

En ik wou dat ik me kon herinneren hoe je sprak. Welke kleur je stem had, of die kraakte, en of je ook zo begeesterd vertelde als oma. Want haar liefde voor imitaties en haar typerende bewegingen moet ze toch ergens vandaan hebben.
Ik weet nog dat ik als kind eens bij haar bleef slapen, in het bed dat vroeger van je kleinkind Pieter is geweest. Het donderde zo hard dat het leek alsof er elk moment iets groots en zwarts op het huis kon neerstorten. Er hing een blauw licht in de kamer en je keek me glimlachend aan vanop je portret aan de rand van het bed. Ik kon je bijna horen zeggen: ‘Rustig maar, jongen.’ Het was alsof er iets van jou in die kamer aanwezig was, alsof je elk moment bij de deur kon verschijnen.
Langzaamaan klonken de donderslagen stiller en vielen mijn ogen dicht.