Vader. Een lamento

Noem mij een gebed, een verdichting:
ik ben uit liefde en verbeelding gewekt,
van herinneringen en dromen gemaakt.

Hij staat in het donker op het spoor, ruggelings.
Ik sta schuin achter hem in de berm.
Een goederentrein nadert en toetert, schril.
In de lichtstraal van de trein draait hij
zijn hoofd naar mij, kijkt naar mij, onbewogen.
De trein nadert, toetert langgerekt nu.
Het gaat los door mijn borst.
Door mijn merg.
Hij lijkt het niet te horen.
Hij wenkt mij met zijn hoofd.
Ik sta verdoofd.
Ik wil een keel opzetten.
Mijn adem stokt.
Ik wil hèm wenken.
Ik sta als een betonblok
in de berm vastgeklonken.
Hij grijnst, steekt zijn hand op,
spreidt zijn vingers als een waaier,
tot hij zich weer omdraait.
Dan, opnieuw, die langgerekte treinkreet.

Het is een droom.
Of beter, de herinnering eraan.
Het is een raadsel waar
dromen en herinneringen zijn
tenzij ergens in het lichaam.

En terwijl ik het neerschrijf, verbeeld ik me
hoe het schrille treinsein langzaam mag
vergaan in het krijsen van een meeuw die
– als gaf iemand een signaal tot vertrek –
rechtsomkeer maakt, de stad verlaat,
voorbij de bocht van de rivier
achter een schip aangaat.

Ik klap mijn laptop dicht, verlaat de kamer,
stap dwars door mijn stad tot aan de kade.
Daar trekt een schip, loom en breed,
een spoor in het donkere water,
terwijl het krijsen van de meeuw verdwijnt
in de diepe tonen van de misthoorn.
En het donkere water,
als stond ik aan een afgrond,
wiegt me

en wiegt

en wiegt

tot het zich, mij spiegelend, gladstrijkt.

 

– Yella Arnouts
uit: Vader. Een lamento, Leuven, Uitgeverij P, 2016, p4-5.