EMIEL

Hans Depelchin, Nieuwpoort
voor Emiel Vandenabeele

Soms lijkt het alsof Emiel Vandenabeele in zijn leven maar drie dingen heeft gekend: de liefde, de werf en de dood.

Hij heeft er nog geen idee van, nu hij daar op de scheepswerf de voordeur van het woonhuis open trekt, gekleed in zijn korte broek, zijn gestreepte polo vol bruine vegen en zijn bottines voor buiten, die zwart zijn, met rafelige veters, te groot voor zijn elfjarige voeten. Hij snapt het allemaal wel hoor, geboren worden en sterven en geloven in je werk en houden van de mensen, maar hij peinst over het hoe en het waarom en wanneer dat dan groeven in je voorhoofd gaat tekenen.

’t Is donker. De maan staat hoog. Alleen daar, heel ver in de verte, aan de overkant van het Ijzerwater, ziet Emiel dat een diep soort blauw het zwart van de nacht uit de weg probeert te duwen. Hij voelt het grind knarsen onder de versleten zolen van zijn schoenen. Afdankertjes van grote broer.

Volgend jaar kan jij hier ook aan de slag, heeft vader hem gisteren gezegd.
Emiel hoort stemmen in de werkateliers, zo’n vijftig meter verderop. De ijzeren poorten staan wagenwijd open. Hij wandelt er naartoe, maakt de afstand tussen het woonhuis en zijn eigen, pietluttige, dampende lijfje stelselmatig groter. Zijn knieën heft hij hoog, zodat hij de bal van zijn voet telkens zo zacht mogelijk op de steentjes kan laten neerkomen.
Dat ben ik over een jaar, denkt hij. Daar zal ik staan. Door de mistige najaarsfriste ziet hij naast de monsterachtige contouren van zieke schepen de gestalten van de arbeiders opdoemen. Emiel hoort zijn broers naar elkaar roepen. In de serene kalmte van de ochtend donderen de klanken als mokerslagen op hem neer.

emiel-vandenabeele

Hij had nog vier broertjes of zusjes moeten hebben. Emiel weet nog niet dat over drie jaar ook zijn moeder zal sterven. Dat kort daarna zijn vader zal sterven. Doodgaan, doodgaan, altijd maar dood gaan de mensen. Hij snuift de koude lucht op, houdt die even binnen, en blaast uit met een rookpluim als een lichtstraal. Hij versnelt zijn pas.

Emiel weet nog niet dat hij de scheepswerf zal overnemen, dat de werf daarna zal groeien en bloeien, om uiteindelijk, zoals alles, in de strijd te vergaan. Emiel begrijpt dat er seizoenen bestaan en dat mensen de neiging hebben om het leven daarmee te vergelijken. De meeste bomen gaan ook dood in deze tijd van ’t jaar, om in maart als bij wonder te herrijzen. Emiel hoopt dat hij en zijn broers en zijn moeder en zijn vader een soort sparrenbos kunnen zijn, een buxusplantage, een laurier-olijf of ligusterkrans waarvan het groen nooit verkwijnt.

Emiel houdt halt. Hij wil hun gezichten niet scherp kunnen stellen. Hij wil ze in die waas hun gang laten gaan. Hij wil gewoon kijken naar de bedrijvigheid, luisteren naar het geklop en gekletter van gereedschap op de houten boegen, zich laten overvallen door de wirwar van pompende lijven, de geometrie ontrafelen in de lijnen die ze maken, het zout in hun besmeurde kleren ruiken en zo de bibber op zijn vel vergeten en zich voorstellen hoe de dag zich vanaf hier zal ontvouwen.

Na een poosje draait hij zich naar het woonhuis om en ziet hij zichzelf daar, jaren later, in het zachte lamplicht heen en weer banjeren. Hij ziet een vrouw. Hij ziet zijn kinderen. Misschien draagt hij wel een hoed, zoals vader dat doet, statig en charmant, en daaronder een das als een politieker, als een gemeenteraadslid voor de katholieken, een das die opvalt tussen de honderden ’s zondags in de mis, en een lamswollen mantel die doorloopt tot boven zijn lederen herenschoenen, met zolen die tijd en weer en bodem verslaan.
Misschien wordt de scheepswerf uitgebreid met meer gebouwen, loopt er meer volk rond de schepen te zwermen dat zich lovend uitlaat over die succesvolle Emiel Vandenabeele die zijn arbeiders tenminste betaalt zoals ’t hoort. Wie weet krioelt het er van de mannen, blozend door ’t werkplezier, die grinniken om de verhalen die de ronde doen in ’t stad over dat het op de werf zou spoken rond middernacht.

De spoken zullen de vrouwen zijn die hij heeft verloren. Joanna. Maria. De spoken zullen ook de kinderen zijn die te vroeg stierven, blije, kleine schimmen die te kort hebben geleefd om kwaad te zijn op de wereld.

Emiel ziet zichzelf bij zijn kleine Juul neerbuigen. Hij neemt het hoofd van zijn kind in zijn handen en zegt: ‘Volgend jaar, jongen, kan jij hier ook aan de slag.’

Emiel wandelt in de richting van het toekomsttafereel dat hem naar zich toezuigt. Maar hoe dichter hij nadert, hoe vager het beeld wordt. De schemerlamp in de woonkamer knispert, flikkert en valt uit.

Het spookt niet meer als Emiel zich in de houten stoel laat zakken die tegen de gevel staat en daar in slaap valt. Hij droomt dat hij aan het roer staat van een oorlogsschip dat nooit zal vergaan. En lang nadat hij zelf is vergaan, horen alle mensen overal op zee nog het belletje in het kraaiennest dat het middaguur slaat.

‘Lieverd, het ontbijt staat klaar.’

Emiel wordt wakker wanneer zijn moeder zoete kussen op zijn voorhoofd drukt.

1857-1948