Adolf ‘Dolfke’ De Jaegere – Anzegem

Met grote precisie verwijder je het laatste restje schil van de aardappel in je hand, waarna je nauwkeurig met het mesje de ogen uitsteekt. Je laat hem nog even tussen je vingers tossen, alvorens hem op de berg bij de andere te gooien.

Die handen, waarmee je trots de vaandel van het Heilige Sacrament hebt gedragen, met toewijding het weefgetouw hebt bediend, je overleden kompanen uit “den oorlog” hebt gegroet. Maar vooral, die handen die geduldig je verhalen ondersteunden met de juiste gebaren, en zo vergroeid met je stem het verleden even weer tot leven wekten. Als een eeuwige bard, gravend in je fenomenale geheugen. Een verhalenverteller van het zeldzame soort, dat was jij.

Jij hield niet van de stilte. Er zou altijd gepraat, gezongen, verteld worden als je in ons midden was.

Hoe jij onuitputtelijk de anekdotes oprakelde over vroeger en liedjes uit een lang vervlogen tijd om onze oren floot. En daar zit je dan, kromgebogen over de emmer met aardappelschillen, je ellebogen rustend op je knieën, eventjes naar binnen gekeerd, denkend. Bevlogen en intens als altijd, ook in je eeuwige zoektocht naar kennis en dé grote wijsheid. Schil na schil, aardappel na aardappel. Zo snel als het mijmeren begonnen is, zo abrupt word je uit je overpeinzingen wakker geschud, omdat een van ons de keuken komt binnengestormd.

dolfke2

“Oe is ’t ermee? Eb je ’t goed gesteld? Alez vertel ne keer!”

Je legt het mesje aan de kant en laat de aardappelen even voor wat ze zijn.

Begaan als je was met de mensen, oprecht interesse tonend in wat er leefde in het dorp, wat er gebeurde in de wereld. Nieuwsgierig als steeds en even geliefd door je omgeving. Hoe je met je eeuwige optimisme en zachte inborst meedeinde op de ups en downs van het leven. Bijzonder in je eenvoud en intens in de kleine dingen, je altijd schikkend naar de mensen rondom jou.

Want: “Daar alleen kan liefde wonen, daar alleen is ’t leven zoet, waar men stil en ongedwongen alles voor elkander doet.” Je neemt het mesje weer ter hand en schilt gestaag verder, het deuntje van ‘de Jager’ fluitend.

De stilte die je verdreef met je liedjes en verhalen, hangt nu plots zwaar op ons gemoed. Maar zoals jouw handen ons steeds vriendelijk begroetten, zo groeten wij de herinnering aan jou. En wanneer wij buigend over de emmer met schillen, de aardappelen in onze handen laten tossen, vertellen wij over ‘Dolfke’ en zijn verhalen, die hij anders nu vertellen zou/zo goed vertellen kon.

15/11/1911 – 22/11/2016

Esther Coorevits