Lutgart De Winter – Gent (2)

Je had het mij voorspeld.

De foto is mijn vroegste concrete herinnering aan jou: bang voor de schoolfoto’s. Zitten op kamelen, het was niet aan mij besteed. Gelukkig mocht mijn grote zus bij mij komen van zuster Patsy. Samen op de foto.

1990. Een zalige tijd. Je was 33 en weer in het land en je ging een lange tijd blijven, zei je toch. Want wij wisten wel dat als de consumptiedrang en het egoïsme van onze westerse wereld je weer te veel zouden worden, je ging vertrekken. Maar ondertussen was je er toch, bij ons en bij mijn kinderen. Zij hielden zoveel van jou: hoe kan het anders, jouw aandacht voor hen was zo onvoorwaardelijk. Dat moeten ze gevoeld hebben. Je aandacht voor hen vergeleek ik steeds met je aandacht voor alle minderheden in onze maatschappij. Onvoorwaardelijk, helemaal en altijd. Principieel, rechtuit met respect voor ieders eigenheid. Onrecht bestreed je met woord en daad, open en duidelijk.

Je kwam oppassen die dinsdag in september: je haalde Bram en Anke af van school met je witte R4. Geen gordels, geen stoelen nodig: eenvoudig op te halen en naar huis brengen, koken en nadien animatie voorzien. Alles verliep natuurlijk vlot: Bram en Anke waren in de wolken dat ze afgehaald werden door jou, en Liesbet, die 1,5 jaar was en babysits niet leuk vond, was bij jou altijd de vrolijkheid zelve. Alleen, véél te veel bloemkool had je gemaakt, twee stuks!

Ik herinner me die avond. De kinderen zaten in bed, wij deden nog samen alles aan de kant. En als wij met ons tweeën waren betekende dat: ofwel lachen – cynisch en kritisch over alles, ongezouten vaak – ofwel ernstig babbelen. We wisten veel van elkaar, altijd al geweest. We hadden onze eigen humor ook, onze eigen reacties op anderen, op versprekingen van anderen.

Die avond werd het ook ernstig: je vertelde dat je niet lang zou leven. Ik, moeder zijnde van drie jonge kinderen met een druk leven, vond dat raar: waar kwam zoiets nu vandaan?

Maar jij, sterk gelovend in de reïncarnatie, op weg om reïncarnatietherapeut te worden, werd zeer ernstig en je zei dat ik moest luisteren: het was waar, je ging niet lang bij ons zijn. Je leven zou kort zijn, zoals je vorige levens. En bovendien, zei je, het zal bruusk, heel bruusk afgebroken worden.

Je stond daar, in de keuken, aan het “wit blad” dat te vertellen. Ik hoor het nog.

Bruusk zal het zijn, ik vind het erg, maar zo zal het zijn. Dat zei je.

Het leven van alledag overstemde die gedachten toch de volgende dagen.

Twee dagen nadien was je er weer; je had een groene jas aan en je was met de fiets. Bewust met de fiets, alles was bewust bij jou, alles was overdacht. Je was intelligent op veel terreinen. Ik keek naar je op, ongelooflijk.

Je fiets was nieuw. Gekocht bij: je weet wel…en weer lachen, want ook daar hadden we ons gedacht en imitatiespel over.

Op onze oprit stond je: “Schone fiets hé, en kijk, hier staat het type op: AVENIR. Ik ga dus een toekomst tegemoet met diene fiets. Schoon hé, dat dat erop staat?”

Ik hoor die woorden nu nog. Een tweede keer sprak je over je dood, maar nu wist je het zelf niet.

Je wist niet dat je de maandag erop fietsend zou overreden worden. Bruusk, jong en nog een hele Avenir voor jou. Met mij en met ons.

Je vertrok en ik zag je nooit weer. Mijn beste vriendin, mijn toeverlaat van toen ik klein was, van later.

Van mij, van mij, dat mocht niet weggenomen worden. Maar je had het voorspeld, je wist het.

24/03/1957 – 17/09/1990

Marleen De Winter.