ENGEL

– Hans Depelchin, Nieuwpoort

In zijn rugzak zit een bidprentje van Onze-Lieve-Vrouw van Lombardsijde en een enorme voorraad tabak. De tas bombeert ervan, als een strokussen. Morgen brengen de beenhouwer, de bakker en de groenteboer nog heel wat lekkers naar de kade in Duinkerke, waar Amandine geduldig op haar menners ligt te wachten.

Ik zie hem al zitten, ineengedoken en verkleumd op het dek. De stortregen klettert op zijn visserskapje. Zijn schouderbladen, tot vleugels uitgegroeid, drukken achteraan tegen zijn kaki jekker. In zijn handpalmen, die hij tegen elkaar houdt alsof hij een boek leest, ligt het bidprentje. Hij kijkt naar de gouden aureool en zegt: ‘Vrouwe, zorg voor mijn jongen.’ Het schip deint op en neer. Stemmen dwalen heen en weer, verdwalen, worden niet verstaan. De wasbakken vol vis vallen om. Het gepekelde ijs maakt het hout spekglad. ‘Ik denk dat ik doodga, vrouwe’, zegt hij. Iemand roept zijn naam. ‘Vrouwe, die storm, die storm.’ Hij steekt het prentje in zijn borstzak terug, murmelt ‘Amen’ en haast zich, niet voorzichtig genoeg, naar de achtersteven om zijn maten te helpen met het treilnet. Hij glijdt uit en valt, bloedt aan zijn ellebogen, maar schreeuwt niet. Hij krabbelt recht. Het water zeikt zijn botten in. ‘Puystiens, loemperik’, roept Corteel. ‘Wat steek je daar in godsnaam uit?’ Vader schudt met zijn hoofd. Niets. Hij heeft dorst. Hij heeft zoveel dorst. Zoveel honger. Hij is doodmoe. Hij kan zich niet meer herinneren wanneer hij voor het laatst gegeten of geslapen heeft. Soms staat hij tijdens het gutten te wachten op dromen die niet komen. De stank van ingewanden houdt hem wakker.

Ze zijn nu pas aan de beruchte zeestraat Pentland Firth in het noorden van Schotland. ’t Is hier elk jaar van ’t zelfde. Nondedju, denkt vader, was ik maar gewoon boer geworden, gelijk mijn broer.

In mijn verbeelding beginnen ze dan te zingen, om de miserie te vergeten. Liedjes die ze kennen van thuis. En dan denkt hij aan mij. Maar ze zingen niet. Ze zingen alleen als het windstil is en ze zomaar wat ronddobberen. ‘Tijdverlies, geldverlies’, mompelen ze dan, waarna één van hen een zeemansmelodie aanheft.

Als ik aan hem denk, zie ik hem op zijn vleugels boven de masten uit torenen. Met zijn gegroefd voorhoofd, zijn uitgezakte oogkassen, zijn strenge, belittekende kaakbeenderen en voor de rest pezig rond de schouders, maar een ton van een buik. Engel Puystiens, mijn vader. Broer van Gabriël en Michaël. En hij zegt dan: ‘Ik ben niet dood, jongen, ik ben nog niet dood.’ Tot nu toe heeft hij gelijk.

wwwopac

‘Binnenkort kan je mee hé’, zegt hij elk jaar opnieuw. Ik weet niet wat dat betekent. Misschien zal het de laatste keer zijn dat de Amandine uitvaart. Moeder staat te huilen. Tranen met tuiten. Ze hoopt dat haar man volgend jaar kan thuisblijven. ‘Die IJslandse egoïsten willen hun vis meer en meer voor zichzelf. D’r komt nog ambras van. Kabeljauwoorlog. Let op mijn woorden. Maar den Amandine is sterk, den Amandine zal overleven.’

Een halfjaar is hij hier geweest. In een vingerknip was het voorbij. Die zes maanden op zee duren drie keer zo lang. Hij heeft zijn tenue al aangepast, om te zien of hij verdikt is. ‘Kabeljauw,’ fluistert hij, ‘kabeljauw van anderhalve meter, zesduusd kilo.’ Hij is altijd opgelucht als hij verdikt is. ‘Da’s meer reserve’, zegt hij.

Hij doet alsof hij zich op zijn vertrek verheugt. Moeders verdriet is de afscheidsroutine. Hij zet de fles aan zijn lippen, drinkt een stevige slok en zegt: ‘ ’t Zal goed doen om Corteel terug te zien. En schatje, achttien frank voor twee liter Eau-de-Vie per week. Daar kan ik niet voor sukkelen.’ Ongeveer één miljoen achthonderdtweeënvijftigduizend zeemijl ver zal hij zijn.

‘Was je maar boer geworden’, fluistert ze. ‘Gelijk je broer.’

Ik trek de achterdeur open, stap naar buiten en voel het duinenzand aan mijn tenen kietelen. De noordwestenwind waait door mijn satijnen haar. De kervelsoep protesteert in mijn buik. Of wijzen die krampen ergens anders op?

Als het bedtijd is, ga ik in mijn sponzen pyjama voor hem staan en zeg ik: ‘Het ga je goed, vader.’ Hij zit te roken, onverstoorbaar. Zijn blik staat nu alvast op IJsland gepind. Hij duwt zijn sigaret uit en neemt mijn nek vast. Ik herken zijn eeltige vingertoppen. Het zijn onmiskenbaar de zijne.

Hij drukt een kus op mijn voorhoofd en fluistert: ‘Tot gauw, jongen. Goed voor je mamaatje zorgen hé.’ En ik weet niet waar het vandaan komt, maar ik voel zeewater langs mijn neus lopen. Ik lik het van mijn bovenlip af.

Ik kijk in zijn donkere kapiteinogen en ik zie dat het schip dreigt te kapseizen. Ik zie dat hij, mijn Engel, in het water verdomt. Zijn vleugels worden nat en zwaar. Hij flappert en flappert, maar komt niet omhoog. Het bliksemt en het dondert en het lawaai verstomt nooit. Amandine gaat onder. De hele bemanning ligt te ploeteren in het water dat klotsend tekeer gaat, die slappe lijfjes binnenstebuiten draait en meesleurt helemaal naar de kust soms of naar de andere kant, waar er alleen maar meer en diepere zee op en neer veert. Overal drijven dode kabeljauwen op het wateroppervlak. De kiel kraakt. Vader grijpt om zich heen, slaat met zijn armen in het ijswater, een engelhondje, een hondengeltje op zoek naar een brokstuk om zich aan vast te klampen, happend, zwalpend, met bonzend hart. De regenboogforellen onder zijn voeten veranderen in draakachtige zeemonsters die hun gespleten tongen rond zijn enkels lassoën om hem de dieperik in te trekken. Maar hij toont dat hij de sterkste is. Onze-Lieve-Vrouwe komt naast hem zwalpen. Hij grijpt het prentje vast, kust het zoals hij mijn voorhoofd kust. Hij heeft het zo koud dat het op warm lijkt. Hij zwemt. Hij roept Corteel. Hij blijft zwemmen. Hij zwemt naar me toe.

Het zijn dikke Engelsen die hem uit het water vissen, samen met Corteel. Ze vragen: ‘Where are you heading?’ en vader snapt er niets van, maar Corteel zegt: ‘Nieuwpoort, Nieuwpoort’. De Engelsen pakken hun natte tabak af, scheuren het bidprentje in tweeën, lachen luid om die dwaze Vlamingen die in IJsland kabeljauw gaan vangen. Die zwemt in de Noordzee toch ook gewoon rond. Ze kletsen op hun billen om zoveel stompzinnigheid, zetten hen op een sloep en varen weg, zonder hen uit te zwaaien. Ondertussen zijn vader en Corteel opgedroogd. De Engel neemt de ander op zijn rug en slaat zijn veren uit. Het volgende ogenblik staat hij in mijn kamer, Engel Puystiens, mager en verweesd, maar hij heeft het overleefd. Ik hef mijn hoofd boven de rand van mijn beddenbak en kijk hem aan. Ik kijk in mijn eigen gezicht.
Hij wrijft de armen van mijn pyjama glad, wendt zijn ogen af en legt zijn handen in zijn schoot.
‘Niet gaan, vader’, zeg ik.
‘Waarom niet, jongen?’ antwoordt hij.
Ik vertel hem niet dat ik de toekomst kan voorspellen. Hij vindt dat flauwekul.
Ik zeg: ‘Gewoon…daarom.’
Engel lacht zijn tanden bloot. Moeder komt de kamer in gelopen. Ze lacht omdat Engel lacht.
Ik mis hem alsof hij nu al de engelenschaar van zijn broeders heeft vervoegd. Eén miljoen achthonderdtweeënvijftigduizend zeemijl de hoogte in.

1883-1978