Jean Henri Camille Decock – Deerlijk

Jan Decock ligt hier ergens begraven. Wij weten niet waar. Zijn grafsteen is al lang weg, maar de beenderen van deze Deerlijkenaar liggen hier nog ergens in deze heilige grond.

Jan Cock, geboren in 1885, was een mens die leefde met de natuur, hij bezat geen cent. Men zegt dat hij Frans kon. Hij was vrij en droeg alles wat hij bezat in zijn rugzak mee. Hij woonde in een onderstand en de mensen kenden hem als: Jan uit den onderstand.

Jan Cock was soldaat in de oorlog van ’14–’18 . Hij was geen held, gestorven voor het vaderland, maar kwam op zekere dag “ongeschonden” thuis van de oorlog. Maar Jan kon niet meer aarden in het gewone leven. De oorlog was nu voorgoed gedaan. Hij was iedere dag welgezind en gelukkig dat hij zonder gevaar of dwang mocht rondlopen in de vrije natuur. Hij had graag zijn glaasje bier en nu en dan een druppel. Ja, hij was een gelukkige landloper.

Dit weet Frans Putman nog:

Jan Cock ging in den tijd mee met de dorsmachien van Feys uit Beveren-Leie. Later ging hij rond bij de boeren. Zo kwam hij ’s morgens toe op het hof van Boer Gezelle. Hij deed er allerlei werkjes en hij mocht dan mee-eten met de boevers. ’s Nachts kon hij dan  in de koeistal slapen en ’s morgens at hij en ging naar een andere boerderij. Hij deed zo al de boeren van Deerlijk waar hij wat eten en slaping kreeg.

Dit weet Raïs De Munck nog:

Op het land van onze gebuur de landbouwer Staf Rogé staat nu nog een onderstand, door de Duitsers gebouwd in 14-18 om het munitiedepot in de gavers te bewaken. Jan deed ook regelmatig zijn toer bij Staf Rogé en sliep ’s nachts in de aardappelkelder, Hij hielp er in de boerderij en kreeg ervoor de kost. maar op een dag zei Staf: Jan ge kunt in dien onderstand slapen gij zijt daar nog beter. Zijn bed was stroo op de grond. Jan hield zijn thuis in de onderstand tot het einde van zijn leven.

In de Winter maakte Jan wat vuur om de barre koude wat buiten te houden. Dan gebeurde het dat kwajongens een “grasfakke” stopten in de opening waardoor de rook naar buiten kon. Dat was niet netjes. Jan stak dan zijn vuist op naar de boosdoeners; 

Jan Cock

Dit weet Brita Monbaliu nog:

Ieder jaar kwam Jan Cock naar den dokteur om zijn nagels te laten knippen. We zagen hem eens vanuit ons slaapkamer dat hij gereed zijn kousen uitdeed terwijl hij binnensmonds tegen zichzelf aan het praten was. Toen hij zijn drie paar kousen had uitgedaan kwam hij barrevoets in zijn kloefen binnen. Toen hij bediend was zei hij met zijn vriendelijk gezicht: Merci, meneer den dokteur, ik zal U dan ne keer betalen. Mijn vader zei dan: Allez,  ’t is goed Jan, tot te naaste jare.

Met de nieuwjaarsdagen ging Jan ook rond met de sterre in de cafés.

Heilig, heilig, God van al

Die daar ligt in ene stal.

Dat bracht hem wat geld op en vooral druppels tegen de koude. 

Op het doodsantje van Jan staat er:  Uit de diepten mijner ellende heb ik tot U geroepen, Heer. Maar Jan was niet ellendig. Hij heeft zich geamuseerd in zijn leven.

Wij waren je allemaal bijna vergeten, Jan. Nu weten wij het weer. Gij hebt geleefd in de regen en in de zon. Gij genoot van het leven telkens ge de kans ertoe had, en gij waart tegenover  iedereen welgezind. Vier jaar aan een stuk hebt gij aan de IJzer in de koude en de modder van de loopgrachten ons land verdedigd.

 

Armand Deknudt